Nuttige tips voor mondzorg van personen met een beperking

Personen met een beperking hebben vaak een beperkte zelfredzaamheid en dit geldt ook voor het tandenpoetsen. Daarom hebben ze hulp nodig van hun zorgverleners. Hoe pas je mondhygiëne toe bij personen met een beperking? Hier vind je acht tips op een rij:

  • Tijdstip en omgeving
  • Handschoenen
  • Houding
  • Mondcontrole
  • Bijten op de tandenborstel
  • Kokhalzen en slikstoornissen
  • Ongecontroleerd gedrag en onvoldoende medewerking
  • Sondevoeding

Denk eraan: Draag steeds handschoenen bij het ondersteunen of uitvoeren van mondzorg. Wissel deze handschoenen voor elke persoon!

Tijdstip en omgeving

Kies een plaats en tijdstip waarvan je verwacht dat de medewerking het grootst zal zijn. Vermijd een drukke omgeving en eventuele associatie met eerdere onaangename tandenpoetsmomenten of gebeurtenissen.

Handschoenen

Draag steeds handschoenen bij het ondersteunen of uitvoeren van mondzorg. Wissel deze handschoenen voor elke persoon!

Houding

Neem als verzorger bij voorkeur schuin plaats achter de persoon waarbij je mondhygiëne toepast. Laat de persoon gaan zitten. Ben je rechtshandig, dan neem je plaats aan de rechterzijde en hou je je linkerarm rond het hoofd van de persoon. Fixeer het hoofd en kijk in de mond. Op deze manier kan je makkelijker controleren of de tanden goed gepoetst worden. Zorg ervoor dat je zicht hebt op waar je poetst.

Als de persoon neerligt, kies je best zijn of haar voorkeurshouding. Je kan het hoofd eventueel omhoog brengen door een opgerolde handdoek onder de schouders te plaatsen.

Mondcontrole

Als de persoon met beperking de mond niet wil of kan openen, kan mondcontrole een handig hulpmiddel zijn.

Buig het hoofd van de persoon iets naar voren. Hierdoor ontspant de mond makkelijker. Gebruik uitsluitend de middelvinger en wijsvinger van de linkerhand (voor rechtshandigen). Plaats de gestrekte wijsvinger op het kussentje van de kin en de gestrekte middelvinger tegen de mondbodem tussen kin en keel. De wijsvinger mag daarbij de onderlip niet raken. De duim, ringvinger en pink rusten op de zijkant van respectievelijk de hand en de middelvinger. Ze mogen daarbij het gezicht en de hals niet raken. Om de mond te openen voer je de druk van de wijsvinger wat op en verminder je de opwaartse druk van de middelvinger. De mond zal opengaan en de wijsvinger volgt deze openingsbeweging.

Bijten op de tandenborstel

Als het openhouden van de mond moeilijk is, kan je bijtblokjes of bijthoutjes gebruiken. Een alternatief is een tweede tandenborstel: het handvat van de ene tandenborstel plaats je zijdelings tussen de tanden zodat de mond opengehouden wordt, de andere tandenborstel dient voor het tandenpoetsen aan de andere zijde. Je wisselt van kant voor het reinigen aan de andere zijde.

Kokhalzen en slikstoornissen

Bij personen met een slikstoornis kan het poetsen van de tanden de kans op verslikken vergroten of een kokhalsreflex opwekken. Je kan het kokhalzen verminderen door een kleinere tandenborstel te gebruiken. Indien haalbaar, maak de persoon duidelijk dat hij of zij op een rustige manier en zonder onderbrekingen moet blijven ademen. Verder kan je kokhalzen en verslikken verminderen door de tanden eerst zonder tandpasta te poetsen. Nadien smeer je met je vinger de tanden in met een kleine hoeveelheid fluoridetandpasta.

Ongecontroleerd gedrag en onvoldoende medewerking

Werk bij personen met ongecontroleerd gedrag in duo. De ene zorgverlener houdt hierbij de handen van de persoon vast terwijl de andere zorgverlener de tanden poetst. Gebruik bekrachtigers en moedig de persoon aan om mee te werken.

Zorg ervoor dat elke tandenpoetssessie op een positieve manier eindigt. Introduceer het tandenpoetsen zo vroeg mogelijk (vanaf het doorbreken van de eerste tanden, rond de leeftijd van zes maanden). Zo wordt de persoon gewoon aan de toegang tot de mond.

Sondevoeding

Mondhygiëne is ook bij personen met sondevoeding zeer belangrijk. Sondevoeding betekent dat er weinig voedsel- en drankinname via de mond gebeurt. Dat resulteert in een verminderde natuurlijke reiniging van de tanden en minder stimulatie van de speekselklieren. Hierdoor kunnen tandplaque en tandsteen zich sneller opstapelen.

Kies bij deze personen voor een tandpasta die weinig schuimt om inademen van de tandpasta te beperken.

Geef, indien mogelijk, regelmatig stimulatie in de mond bijvoorbeeld door middel van (suikervrije) proevertjes. Dit zorgt ervoor dat de speekselvloed gestimuleerd wordt. Zonder deze speekselvloed bestaat er een grotere kans op het ontstaan van gaatjes, tandsteen, droge en korstige mond en lippen.